Voorlopige bescherming van het Provinciehuis in Gent

Door Geert Bourgeois op 6 februari 2019, over deze onderwerpen: Onroerend erfgoed
Provinciehuis Gent - Onroerend Erfgoed

Geert Bourgeois, Vlaams minister-president en Vlaams minister van Onroerend Erfgoed beschermt het Provinciehuis voorlopig als monument.

“Het provinciehuis kent een lange geschiedenis, zowel lokaal als politiek. Bovendien is het een unieke smeltkroes van architecturale, artistieke, stedenbouwkundige en archeologische evoluties. Het Provinciehuis is er om te blijven.”, aldus bevoegd Minister-President Geert Bourgeois.

Het provinciehuis bevindt zich aan de rand van de vroegmiddeleeuwse handelsnederzetting van Gent, op een plek waar vanaf 1794 de voorloper van het provinciebestuur gevestigd was. De daaropvolgende anderhalve eeuw onderging het complex verschillende uitbreidingen en verbouwingen tot het in 1940 opgeëist werd door de Duitse bezetter als Oberfeldkommandantur. Vijf jaar later, in september 1944 stak diezelfde bezetter het complex in brand om te verhinderen dat de voorraden en archieven in handen van het verzet of de Britse troepen zouden komen.

De naoorlogse heropbouw startte in 1946 en zou uiteindelijk meer dan 15 jaar duren. Het betekende de start van een vruchtbare samenwerking tussen twee van de meest prominente figuren uit de Gentse en Vlaamse architectuurscene: Valentin Vaerwyck (1882-1959) en Jean Hebbelynck (1892-1971). Beide architecten bewandelden sinds het begin van hun carrière een middenweg tussen het modernisme en het traditionalisme, en besteedden enorm veel aandacht aan het provinciegebouw, dat ze uittekenden tot in de details, zoals de indrukwekkende wand- en kroonluchters. Voor de uitvoering werd een beroep gedaan op gespecialiseerde kunstenaars en ambachtslui. Zo zijn de beeldhouwwerken en reliëfs het werk van de gerenommeerde Geo Verbanck (1881-1961) met wie Vaerwyck sinds 1910 regelmatig samenwerkte.

Gezien de voorgeschiedenis van beide ontwerpers is het niet verwonderlijk dat het gebouw nog enkele kenmerken vertoont van de typische architectuurstromingen uit het interbellum zoals de art deco en het neotraditionalisme. Tegelijkertijd is het provinciehuis een mooi voorbeeld van het modern classicisme (1930-1960). Typisch hiervoor is dat men moderne kenmerken, zoals een functionele planindeling, en recente constructietechnieken, zoals gewapend betonnen vloerplaten en metalen dakspanten, trachtte te verzoenen met een eerder klassiek aandoend uitzicht met traditionele gevelmaterialen (baksteen of natuursteen), klassieke compositieprincipes zoals symmetrie en orthogonaliteit, en een algehele soberheid in combinatie met enkele figuratieve decoraties. Deze stilistische keuze sloot ook aan bij de ruimere zoektocht naar een monumentale en representatieve (symbolische) architectuur die vanaf eind jaren twintig tot eind jaren vijftig heel populair was, met name bij overheidsgebouwen. Het resultaat is een tijdloos, duurzaam en kwalitatief bouwkundig geheel dat een bepalend onderdeel vormt van de stedenbouwkundige structuur. 

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is